Begrippen
Begrippen
Elke vakterm uit dit boek, in gewoon Nederlands, met het hoofdstuk waar hij thuishoort en zijn betrouwbaarheidstag. Sterk betekent: vaak opnieuw getest en overeind gebleven. Gemengd betekent: echt, maar voorwaardelijk. De begrippen staan op alfabet.
A/B-test (hoofdstuk 9, methode). Toon de helft van je bezoekers versie A en de andere helft versie B, en meet welke wint. Eerlijk meetgereedschap, dat alleen beantwoordt wat je het vraagt, en de trage kosten van een truc vallen buiten het venster.
Affect heuristic (hoofdstuk 6, Sterk). Het gevoel dat ergens aan kleeft, wordt gebruikt als informatie over hoe erg of veilig het is, nog vóór er ook maar iets geanalyseerd wordt.
Alarm fatigue (hoofdstukken 2 en 8, Sterk). Te veel loze alarmen trainen de ontvanger om ook de echte weg te filteren. Waarschuwingskleuren en notificaties zijn een budget, geen stijlkeuze.
Anchoring (hoofdstuk 4, Sterk). Het eerste getal dat je ziet, zet de schaal waarop je alle volgende getallen leest, ook als dat eerste getal willekeurig is, en ook bij experts.
Attention residue (hoofdstuk 8, Sterk). Na elke onderbreking blijft een deel van de aandacht bij het onderbrekende hangen. Elke notificatie kost dus meer dan de seconde die je kwijt bent aan lezen.
Banner blindness (hoofdstuk 2, Sterk). Alles wat op reclame lijkt, wordt niet genegeerd maar letterlijk nooit bekeken: er komt geen fixatie. Ook jouw eigen aankondiging, zodra hij reclamekleren draagt.
Change blindness (hoofdstuk 2, Sterk). Veranderingen zonder bewegingssignaal op de plek zelf worden niet gezien. Het brein ververst zijn beeld alleen als iets erom vraagt.
Choice overload (hoofdstuk 3, Gemengd). Het idee dat te veel keuze verkoop doodt. De hertest over ongeveer vijftig studies vond gemiddeld vrijwel geen effect; de bruikbare vraag is niet hoeveel opties er zijn maar hoeveel werk kiezen kost.
Cognitive load (hoofdstuk 3, Sterk). De belasting van het denkwerk, te splitsen in de last van de taak zelf en de last die jouw presentatie toevoegt. Alleen die tweede is van jou, en die kun je slopen.
Compromise effect (hoofdstuk 4, Sterk). Bij drie opties mijden mensen de uitersten en voelt het midden als redelijkheid. Wie de eindpunten kiest, kiest het midden.
Concreteness effect (hoofdstuk 7, Sterk). Concrete, voorstelbare taal wordt beter onthouden, sneller begrepen en eerder geloofd dan abstracte taal.
Curse of knowledge (hoofdstuk 3, Sterk). Wie iets weet, kan zich niet meer voorstellen hoe het is om het niet te weten, en kan dat ook niet tijdelijk uitzetten. Daarom is jouw oordeel over je eigen uitleg het minst bruikbare dat bestaat.
Dark patterns (hoofdstuk 9, Sterk). Ontwerppatronen die tegen de gebruiker werken: doolhoven, voorgevinkte extraatjes, verzonnen schaarste. Op grote schaal gedocumenteerd, en in experimenten zowel werkzaam als woede-opwekkend gebleken.
Default effect (hoofdstuk 4, Sterk). Wat is voorgeselecteerd, houden de meeste mensen. De grootste hefboom van dit boek, en dus de zwaarste verantwoordelijkheid.
Fast/slow thinking (hoofdstuk 1, Sterk als raamwerk). Denken kent een snelle, automatische modus en een trage, inspannende. De snelle rijdt het overgrote deel van de rit. De tweedeling is een leshulp, geen anatomie.
Fluency (hoofdstuk 7, Sterk). Wat vlot verwerkt wordt, voelt waarder, lichter en betrouwbaarder, los van de inhoud. Verklaart waarom modeltekst overtuigend voelt en waarom dat een waarschuwing is.
Gestalt-groepering (hoofdstuk 2, Sterk). Wat dicht bij elkaar staat, op elkaar lijkt of in dezelfde container zit, hoort visueel bij elkaar, nog vóór er gelezen wordt. Witruimte is betekenis.
Goal-gradient (hoofdstuk 8, Sterk). Inspanning versnelt naarmate de finish zichtbaar dichterbij komt. Eerlijk bruikbaar zolang de voortgang echt is.
IKEA effect (hoofdstukken 1 en 4, Sterk met randvoorwaarde). Wat je zelf bouwde, voelt meer af en meer waard dan hetzelfde uit andermans handen. Werkt alleen bij voltooide zelfbouw, en verklaart waarom je je eigen product niet kunt beoordelen.
Illusory truth (hoofdstuk 7, Sterk, hier alleen als waarschuwing). Herhaalde beweringen voelen waarder, zelfs voor wie beter weet. Dit boek gebruikt het nergens als techniek, en dat is een keuze.
Implementation intentions (hoofdstuk 8, Sterk). Gedrag koppelen aan een bestaand moment (‘na X doe ik Y’) verdubbelt grofweg de kans dat het er komt. Geen motivatie, een adres.
Loss aversion (hoofdstuk 4, Sterk voor echte verliezen). Verlies weegt grofweg twee keer zo zwaar als evenveel winst, met flinke spreiding, en omstreden als universele wet. De afspraak van dit boek: alleen inzetten waar het verlies echt is.
Negation blindness (hoofdstuk 7, Sterk). Een ontkenning bouwt eerst het ontkende beeld en plakt er dan pas een ‘niet’ op. Op plekken waar snelheid telt, komt een bevestigende formulering vaak eerder aan. Ontkenning blijft bruikbaar voor ritme, tegenspraak en nuance.
Negativity bias (hoofdstuk 6, Sterk). Slecht weegt structureel zwaarder dan goed. Vertrouwen vult zich daardoor als een regenton onder een dun straaltje, traag en ongemerkt, terwijl één fout de kraan opent en er in een ochtend uit laat lopen wat er in maanden in droop.
Nudge en sludge (hoofdstuk 9, kader). Een nudge duwt in de richting die de gebruiker zelf zou kiezen; sludge is stroop in de richting die de gebruiker wil maar het bedrijf niet. Vocabulaire, geen empirische claim.
Peak-end rule (hoofdstukken 6 en 8, Sterk). Een ervaring wordt onthouden op haar ergste moment en haar einde, niet op duur of gemiddelde. Het einde heb je bijna altijd in de hand.
Persuasion knowledge (hoofdstuk 9, Sterk). Mensen hebben een detector voor overtuigingstrucs, en één detectie besmet met terugwerkende kracht alles wat je ooit hebt beweerd.
Pop-out (hoofdstuk 2, Sterk). Eén afwijkend basiskenmerk (kleur, formaat, beweging) wordt over het hele blikveld tegelijk gedetecteerd, vóór de aandacht. Werkt alleen voor de éne vreemde eend: knallen is schaars.
Populariteitscascade (hoofdstuk 5, Sterk). Getoonde populariteit maakt toekomstige populariteit: een vroege toevalstreffer wordt door sociaal bewijs uitvergroot tot lawine. Meer zichtbare invloed betekent meer ongelijkheid én meer onvoorspelbaarheid.
Present bias (hoofdstuk 4, Sterk). Kosten van nu wegen zwaarder dan baten van straks. Laat waarde daarom vóór de kosten komen, in de tijd.
Recognition over recall (hoofdstuk 3, Sterk). Herkennen is goedkoop, ophalen uit het geheugen is duur. Toon wat het scherm al weet, in plaats van het te vragen.
Service recovery paradox (hoofdstuk 6, Gemengd tot Sterk, voorwaardelijk). Eén uitstekend afgehandelde fout kan meer vertrouwen opleveren dan geen fout. Werkt hooguit één keer, en nooit als strategie.
Social proof (hoofdstuk 5, Sterk). Onder onzekerheid geldt het gedrag van anderen als bewijs over wat juist is. De kracht schuift langs drie schuiven: specifiek, gelijkend, controleerbaar.
Streak (hoofdstuk 8, Sterk in industriedata). Een zichtbaar bijgehouden reeks werkt, tot één gemiste dag alles sloopt. Bouw vergeving in: één misser breekt de echte gewoontecurve niet, dus je product mag dat ook niet doen.
Working memory (hoofdstukken 1 en 3, Sterk). Het werkgeheugen: ongeveer vier betekenisvolle dingen tegelijk, seconden lang. De grens gaat over wat een hoofd moet meedragen, niet over wat er in beeld staat.
Zero-price effect (hoofdstuk 4, Sterk). Gratis is geen lage prijs maar een aparte categorie: tussen bijna-niets en niets zit een grens, en de vraag springt erover heen.